donderdag 14 mei 2020

Stikstof, daar groeien bomen toch van?

Om te groeien hebben planten (dus ook bomen) een paar zaken nodig: water, CO2, licht, stikstoffen en zuurstof. Maar dan wel in de juiste hoeveelheden. Teveel water - de wortels rotten weg. Teveel CO2 - na extra groei wordt overschot genegeerd. Teveel licht - kan leiden tot droogte/uitdroging. Teveel stikstoffen - de plant gebruikt wat nodig is en slaat de rest als afval op. Dit laatste is slecht voor de plant, slecht voor de dieren die ervan eten, slecht voor de bodemschimmels. Kortom, door een overschot aan stikstoffen vergiftigt de boom niet alleen zichzelf, maar ook het hele ecosysteem dat hiervan afhankelijk. Dit heeft onder andere geleid tot de massale sterfte van zomereiken in de bossen. Wat is hier aan de hand?
Foto: Pixabay

Door een overschot aan stikstofoxides in de natuur gaan grassen harder groeien. Dit heeft ook gevolgen voor de dieren, met name vogels, die hun voedsel op de bodem zoeken. Maar het verandert ook de fysiologie van bomen. Aangezien je het niet kunt zien krijgt het ook te weinig aandacht.

Eiwitten
Bomen gebruiken stikstof voor het opbouwen van eiwitten. Dit proces heet stikstofassimilatie. Deze eiwitten zijn vooral enzymen. Die zijn nodig voor vrijwel alle leef- of groeiprocessen van de bomen. Onder andere voor de fotosynthese. Een toename van stikstoffen zal in eerste instantie leiden tot hogere eiwitproductie en betere groei. Maar hieraan is een grens, de stikstoflimitatie genoemd. Als die grens gepasseerd wordt ontstaat er een probleem met de hulpstoffen die voor de productie van aminozuren (waaruit eiwitten worden samengesteld) . Het probleem wordt nog erger als door verzuring die hulpstoffen worden weggespoeld tot buiten het bereik van de wortels. Of als die hulpstoffen in een slecht verterende strooisellaag blijft zitten. Een van de belangrijkste hulpstoffen is mangaan. Als hieraan een gebrek is verlopen de stikstofassimilatie processen niet meer volgens plan. In de boom hopen zich allerlei tussenproducten op. Een deel daarvan zijn vrije aminozuren die extra stikstof bevatten en door de boom gebruikt worden om stikstoffen tijdelijk op te slaan of te transporteren. Door het gebrek aan mangaan wordt de stikstofassimilatie niet tijdig geremd. De productie van vrije aminozuren neemt toe en dat vertraagt de groei. De boom moet nu toch ergens heen met dat overschot aan stikstofhoudende aminozuren. Het zal dan bijvoorbeeld in de celwand van de boom worden ingebouwd. Dit maakt de boom echter minder weerbaar tegen schimmels en insectenvraat.

De mens is er een meester in om dat evenwicht te verstoren.

De meeste dieren, zoals insecten, die van de boom eten hebben echter een probleem met het verteren van dit materiaal. Ze zullen daarom verhongeren.  Een stikstofoverschot leidt dus indirect tot afname van het insectenbestand. Er zijn wel uitzonderingen, zoals de bladluis. Die is gewend om met dit soort plantensappen (met extra stikstofhoudende aminozuren) om te gaan. Of beter, hun darmbacteriën zijn daar goed in.

Andere insecten kiezen bewust voor dit met extra stikstof verrijkte groen. Zij hebben dat tenslotte  nodig voor hun groei. Maar de onbalans aan aminozuren is voor deze dieren onverteerbaar. Zij kunnen er niet de voor hun groei noodzakelijk eiwitten van maken. En als zij hiervan teveel eten zullen ze sterven door gebrek aan essentiële voedingsstoffen.

Voedselketen
Insecten die van dit ongebalanceerde plantmateriaal eten hebben een lagere voedingswaarde voor dieren die hiervan leven, bijvoorbeeld vogels. En dat werkt door naar de hogere lagen van de voedselketen, zoals roofvogels. Hun vitaliteit neemt af door gebrek aan essentiële voedingsstoffen.

Als limiterende stoffen zoals mangaan geen rem op de stikstofassimilatie zetten (of te laat) zullen de bomen overtollig stikstof als een mix van vrije aminozuren opslaan in hun celwand en daarmee vergiftigen zij het ecosysteem dat van die boom leeft. In de natuur hangt alles met elkaar samen en de mens is er een meester in om dat evenwicht te verstoren.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

zaterdag 2 mei 2020

Wat je niet ziet, is er ook niet

Herken je dit? Er overkomt je iets engs en in een reflex houd je de handen voor de ogen. Wat je niet ziet, is er niet. Dat lijkt een vaste formule van ons brein te zijn. En bomen hebben daar last van. Nee, niet dat bomen iets vergelijkbaars doen, ze nemen hun omgeving juist heel goed waar. Bomen hebben er last van dat wij mensen zo in elkaar steken. Want bomen hebben een onzichtbaar deel, dat zeer belangrijk voor ze is, maar voor ons mensen lijkt dat niet te bestaan. We hebben het over wortels.
Afbeelding: Pixabay

Grofweg is de omvang van de wortels ongeveer gelijk aan de omvang van de kroon. En anders dan sommige mensen denken, gaan wortels vaak niet dieper dan ongeveer 1 meter. De bovenrand van de wortels van de meeste boomsoorten liggen zelfs dicht onder het oppervlak. Tja, als er dan een paar centimeter aarde op ligt zijn ze onzichtbaar - dus worden ze vergeten. Dat kan vervelend zijn als groenwerkers het onkruid onder een boom wegschoffelen. Ze raken ongewild de boomwortels en beschadigen die. Zo krijgen kwaadaardige micro-organismen, zoals parasiterende schimmels toegang tot het levende systeem van de boom. Zo krijgen beuken vaak last van de reuzenzwam, die zich in de wortels nestelt en deze laat afsterven.

Wortels zijn voor bomen erg belangrijk. Ze verankeren de boom met dikke structuurwortels en de fijne wortels zorgen voor opname van water en mineralen. Bij die laatste functie worden de wortels vaak geholpen door bodemschimmels, de mycorrhitza. Deze schimmels maken stikstofhoudende voedingsstoffen los uit de bodem en ruilen die met de boom voor suikers. De suikers zijn het product van de fotosynthese, die in de bladeren plaatsvindt. Het water met mineralen wordt via de stam en de takken (middels speciale cellen in het xileem, de buitenste rand van het kernhout) naar de bladeren getransporteerd. Dat gebeurt door de aanzuigende kracht van verdamping in de bladeren. Water met koolhydraten gaat vanaf de bladeren via het floeem (de laag tussen de bast en het cambium) naar de wortels. Bomen kunnen koolstof met elkaar delen middels wortelknopen en via het netwerk van de mycorrhiza. Die wisselwerking is belangrijk, want die heeft direct gevolgen voor de vitaliteit van bomen die in groepen leven, zoals in parken en bossen. En hoe vitaler een boom is, hoe beter hij presteert met ecosysteemdiensten, zoals CO2 opname, zuurstofproductie, koelvermogen en luchtfiltering. Bovendien, een boom met een gezonde wortelstructuur waait niet zomaar om bij een storm.

In de natuur passen alle puzzelstukjes in elkaar.

Het netwerk van de mycorrhiza schimmels helpt ook bij de communicatie tussen bomen. Ze transporteren niet alleen koolstof van gezonde bomen naar zieke bomen, het netwerk geeft ook signalen tussen bomen door. Zo houden bomen elkaar op de hoogte van gevaar, zoals rupsen die aan de bladeren knabbelen. De bomen reageren daarop met de aanmaak van afweerstoffen en feromonen, die voor de communicatie dienen. Feromonen worden ook door roofinsecten begrepen en zo weten ze waar de tafel gedekt is. In de natuur passen alle puzzelstukjes in elkaar.

Boomwortels blijken zich aan te kunnen passen aan hun functie en groeiomstandigheden. Maar hoe bomen zich aanpassen verschilt per soort en dat vraagt om meer onderzoek. Wel is inmiddels duidelijk dat bomen die in voedselarme grond groeien meer haarwortels ontwikkelen of meer samenwerken met mycorrhiza schimmels. Ook verharde bodem en droogte hebben invloed op de ontwikkeling van de wortels. Als zulke aanpassingen ertoe leiden dat de wortels voldoende water en voedingsstoffen vinden blijft de boom vitaal. Als de wortels niet voldoende water en voeding vinden zal er minder in de wortelgroei worden geïnvesteerd en dat zie je uiteindelijk ook in de kroon. In de top beginnen takken uit te drogen.

Er wordt wel beweerd, dat wortels rioolbuizen en fundamenten van woningen beschadigen. Dat is maar ten dele waar. Wortels kiezen altijd voor de minste weerstand en groeien om obstakels heen. Maar als dat obstakel scheuren en barsten vertoont, kan een fijne haarwortel daar toch in doordringen. Wortels maken buizen en funderingen niet kapot, die waren al beschadigd en de wortelpunt raakt erin verdwaald.

In het bos is de wortelgroei grenzeloos. Maar in de stad kunnen bomen ook wel buiten hun grenzen groeien. Dat kan tot wortelopdruk leiden en dit levert soms gevaarlijke situaties op.  Als een boom de wortels opdrukt en het wegdek of trottoir beschadigt is duidelijk dat bij het planten van de boom verkeerde keuzes zijn gemaakt. Als je een boom plant weet je, of behoor je te weten dat de wortels ruimte nodig hebben. Ruimte om voor stevigheid te zorgen en om water en voedsel te vinden. Er zijn bedrijven die methodes hebben ontwikkeld om boomwortels binnen de grenzen te houden en hun groei naar beneden af te buigen. Op die manier kunnen bomen zich goed ontwikkelen, jarenlang vitaal blijven en zo voor een gezonde groene omgeving zorgen.
Dat is beter dan overlastgevende wortels af te zagen of kapot te frezen. Dat leidt alleen maar tot een vroegtijdige dood van de boom.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.



maandag 16 maart 2020

Moeder natuur herstelt het evenwicht

De natuur streeft altijd naar een evenwichtige biodiversiteit. Monoculturen staan daardoor steeds onder druk van dat streven. Wij mensen gooien er dan een dosis technologie tegenaan om natuurlijke correcties tegen te gaan. Maar er zijn grenzen. En als die overschreden worden slaat moeder natuur  toe. Dan kent zij geen genade, noch compassie. Zeker niet met de veroorzaker van het probleem, en dat is veel te vaak de mens.
Foto: Pixabay

De mens heeft zich veel te lang boven de natuur gesteld. Want mensen zijn het evenbeeld van God en daarom eigenen wij ons het recht toe de natuur naar eigen goeddunken te exploiteren, uit te buiten. Maar mensen zijn niet zo slim als God of moeder natuur en bovendien erg egoïstisch. De mens speelt slechts een bescheiden rol in het mondiale ecosysteem.  Wij zijn slechts een klein onderdeel van een groter geheel. Toch doen we alsof we erboven staan.
We bejagen dieren tot er geen meer over zijn. Vissen de oceanen leeg. Ontbossen hele continenten. Dat heeft een economisch voordeel wat  uitroeiing alleen maar versterkt. De bejaagde dieren (en vissen) worden steeds schaarser en daarmee stijgt hun prijs. En die hogere prijs wakkert de hebzucht aan en stimuleert om door te gaan tot er niets meer over is. Ja, wie de laatste olifant geschoten en de laatste tonijn gevangen heeft wacht een dikke bonus en eeuwige roem. In elk geval in kringen van de stropers.

En nu zucht de (mensen)wereld onder het SARS CoVid-19 virus. Na ebola, SARS1, Zika etc. de zoveelste aanval op de mensenmassa. Ja, de massa. In dun bevolkte gebieden merk je er niet zoveel van. Is dit dan ook zo'n poging van moeder natuur om het evenwicht te herstellen? Of hebben de mensen het aan zichzelf te danken?

De enige manier om de kans op zulke epidemieën te verkleinen is de vrije natuur meer ruimte te geven en die ruimte te respecteren.

Het is waarschijnlijk beiden het geval. Deze ziekten slaan vooral toe op plaatsen waar veel mensen dicht bij elkaar leven. Waar mensen een biologische monocultuur vormen. Maar er is ook iets anders aan de hand. Wetenschappers waarschuwen al langer dat de druk die wij uitoefenen op de natuur tot zulke epidemieën zal leiden. De ziekten die ons treffen overleven in de vrije natuur onder dieren (en soms ook planten) die daar geen of weinig last van hebben. Nu mensen de vrije natuur steeds meer verstoren komen we vaker in aanraking met die ziekten. Meestal heeft dat weinig effect en blijven we verschoond van besmetting. Het virus springt niet zomaar over op andere soorten, zoals mensen. Maar soms volgt er een mutatie die dat overspringen wel mogelijk maakt. En hoe vaker mensen hiermee contact hebben, hoe groter de kans dat er mensen ziek worden en het vervolgens overdragen op andere mensen. Het begin van een epidemie. Het mogelijke begin van een pandemie.
Een recent onderzoek van Amerikaanse wetenschappers onderschrijft deze stelling: De processen die ertoe leiden dat wilde dieren hun virussen op mensen kunnen overdragen, zijn dus gelijk aan de processen die ertoe leiden dat veel van deze soorten momenteel in de knel zitten. Het is allemaal te herleiden naar het feit dat mensen een steeds grotere inbreuk maken op het leefgebied van dieren.

Zie ook een artikel van Wereld Natuur Fonds van 2 mei: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=26113

Dat contact blijk vaak ook het gevolg te zijn van de consumptie van 'bush meat'. Dat is goedkoop en vaak in die culturen verweven. Zo blijken bepaalde vleermuissoorten de besmettingen te kunnen overdragen. (voor de duidelijkheid, Europese vleermuizen dragen zulke ziekten niet) De onhygiënische manier waarop deze dieren, in de open lucht op markten, geslacht en geconsumeerd worden vergroot de kans op besmetting. Dat was met de corona virussen zo en ook met ebola. Ongelofelijk dat recent op een markt in Indonesië nog vleermuizen en vleerhonden werden aangeboden. De plaatselijke overheid greep gelukkig snel in door deze dieren in beslag te nemen en de vernietigen. Maar hoeveel van deze dieren worden er onder de radar alsnog verkocht en geslacht? Het is dweilen met de kraan open.

Wetenschappers waarschuwen ervoor om zulke epidemieën en pandemieën te gebruiken om het belang van biodiversiteit aan te tonen. Natuurlijk hebben ze gelijk, dat de oorzaken van zulke uitbraken genuanceerder liggen. Maar het ligt in de aard van deze blog om toch (voorzichtig) in die richting te wijzen.

Even een steen in de vijver gooien. Is het een oplossing om massaal in grote steden te gaan wonen en ons af te sluiten van die bedreigende natuur?
Dat zou een normale menselijke reactie kunnen zijn. Maar we spannen daarmee het paard achter de wagen. Hiermee worden juist die ongewenste monoculturen van mensen vergroot en dat maakt mensen nog kwetsbaarder voor uitbraken van infectieziekten. Moeder natuur houdt niet van monoculturen. Zij streeft naar biodiversiteit. De soort die het evenwicht uit balans brengt is kandidaat voor corrigerende maatregelen, meestal een ziekte met dodelijke potentie.
De enige manier om de kans op zulke epidemieën te verkleinen is de vrije natuur meer ruimte te geven en die ruimte te respecteren. Dan gaat het ook beter met het klimaat. Maar zolang de wereldbevolking blijft toenemen is de kans klein dat de natuur wereldwijd weer op adem komt. Houd rekening met meer uitbraken zoals het huidige coronavirus.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

dinsdag 28 januari 2020

Krijgen we opnieuw een hete zomer?

De zomer van 2019 hoorde thuis in het rijtje van heetste zomers, ooit gemeten. Niet alleen de toenemende CO2 concentratie is hiervan de oorzaak, ook de windstromen zijn van invloed. Enkele dagen wind uit zuid tot oost zal de temperatuur flink doen stijgen. Zeker als de wereldwijde CO2 concentratie ook in de zuidelijke regionen voor extreem hoge temperaturen zorgt. De hoeveelheid koolstofdioxide moet omlaag om verder gaande opwarming af te remmen en de kans op extreem weer te verminderen. Alleen ziet het er niet naar uit dat dit al in 2020 gaat lukken. De grote bosbranden in Australië en Brazilië hebben ook voor ons nadelige gevolgen.

Onderzoekers verwachten dat we in mei 2020 met grote waarschijnlijkheid boven de 417ppm (deeltjes per miljoen) zullen uitkomen. Dat is erg hoog.
Op de grafiek hiernaast is goed weergegeven hoe de CO2 concentratie jaar op jaar toeneemt. Van een ombuiging is voorlopig nog geen sprake.

Alleen grootschalige vergroening kan voor een langdurige en duurzame ombuiging zorgen. Liefst door op grote schaal bomen aan te planten. En dit gebeurt al. Alleen niet (nog niet) in de gebieden waar door natuurbranden en ontbossing  dit het hardste nodig is. Extra aanplant van bomen vindt vooral plaats in de rijkere landen op het noordelijk halfrond. Hier stuiten we op echter op grenzen: er is niet voldoende ruimte om de benodigde bomen te planten en er is een tekort aan plantmateriaal. Bovendien is door verzuring (stikstofoxiden) op veel plaatsen de bodem ongeschikt: het bodemleven, schimmels en insecten, is op veel plaatsen met meer dan 75% achteruitgegaan.

CO2 reductie bij de bron is en blijft hoogste prioriteit.

Snel veel bomen planten is absoluut nodig. Zeker in de gebieden waar ze in korte tijd massaal verdwenen zijn. Dit vergt echter tijd. Er zal eerst voor voldoende plantmateriaal gezorgd moeten worden. Dat zal een paar jaar in beslag nemen. Dan werkt ook de droogte op die locaties tegen. Jongen bomen hebben (veel) water nodig om te overleven. En dan duurt het nog vele decennia voordat die bomen hetzelfde presteren als de bomen die nu verloren zijn gegaan. Wat doe je in de tussentijd, misschien wel 60 tot 80 jaar? En kun je over die periode de watervoorziening garanderen?
Dat kan best lastig zijn, want bossen kunnen de watertoevoer naar rivieren verminderen. Daar staat tegenover dat de verdamping door fotosynthese meer waterdamp in de atmosfeer brengt.
De universiteit van Cambridge heeft hier onderzoek naar gedaan.

Om snel, binnen één of enkele jaren, voldoende groen te kweken dat op grote schaal CO2 vastlegt kunt je toevlucht zoeken in snelgroeiende kruiden en grassen. Denk bijvoorbeeld aan gewassen als olifantengras en bamboe. De planten kunnen jaarlijks geoogst worden en leveren interessante biomassa op voor tal van duurzame toepassingen. Verbranden voor energieopwekking is echter de minst geschikte toepassing. Het CO2 komt dan binnen korte tijd weer in de atmosfeer en we willen de concentratie juist snel en effectief terugdringen.
Hier en daar een paar hectaren aanplanten heeft ook geen enkel effect. Dit moet echt op zeer grote schaal gebeuren.

Het zal duidelijk zijn, dat met alleen extra groen de wereld niet gered kan worden. Er zijn beperkingen in de vorm van tijd,  ruimtegebrek en droogte. We zullen het één moeten doen en het ander niet later. In andere woorden, CO2 reductie bij de bron is en blijft hoogste prioriteit. En technologie kan daar een handje bij helpen. En tegelijk op grote schaal de bossen herstellen.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

dinsdag 3 december 2019

Waarom mini-bosjes ook belangrijk zijn

Bij natuur- en klimaatbeleid gaat de aandacht vaak uit naar de grote bossen. Wereldwijd spelen de regenwouden in de tropische zones natuurlijk een cruciale rol, maar vlak de mini-bosjes in de gematigde regio's niet uit. Om het belang van zulke kleine bossen in kaart te brengen is op Europees niveau, in 16 regio's onderzoek gedaan. De conclusie uit deze studie is, dat de mini-bosjes, gerekend naar oppervlakte-eenheid het beter doen dan de grote bossen.
Foto: IVN. Een tiny forrest door kinderen aangelegd
en onderhouden.

In Europa zijn de bossen vaak versnipperd door woningbouw, industrie, infrastructuur en landbouw. Grote bossen worden steeds zeldzamer en dat voedt de zorg over de rol van bossen in het klimaatbeleid. Wat we wel steeds meer zien, zijn versnipperde mini-bosjes, zowel in stedelijk gebied als in op het 'platte land'. In Nederland en België worden deze kleine bosjes nog enigszins beschermd, maar in veel andere Europese landen is dat niet het geval. Daarmee rees de vraag of dit schadelijke gevolgen heeft voor het natuur- en klimaatbeleid.
We spreken van mini-bosjes als ze 1/2 Ha of minder tot pakweg 3 Ha grond in beslag nemen.

In Nederland worden de mini-bosjes juist sterk gestimuleerd door onder andere het IVN en de gemeenten, bijvoorbeeld door het aanleggen van tiny forests. In Weert stimuleert de gemeente ook particulieren met een grote tuin om een 'tuiny forest' aan te leggen.
Mini-bosjes vind je ook in parken, tussen wegen en langs het spoor. Maar ook tussen landbouwpercelen.

Deze kleine bosjes blijken per oppervlakte-eenheid meer koolstof in de bodem vast te leggen dan grote bosgebieden. Er zijn meer verschillende voedselbronnen voor wilde dieren. Ook niet onbelangrijk, in die kleine bosjes houden zich minder teken op, zodat recreanten in die bosjes minder risico lopen op een Lyme-infectie.

Ecosysteemdiensten
In verhouding tot de grote bossen herbergen de mini-bosjes minder planten- en diersoorten. Dus voor biodiversiteit is een klein bosje niet persé een voordeel. Het scheelt wel als zulke bosjes in de regio onderling verbonden zijn. Maar geïsoleerde bosjes vertonen een beperkte biodiversiteit.

Deze mini-bosjes blijken per oppervlakte-eenheid meer koolstof in de bodem
vast te leggen dan grote bosgebieden.

Dat is heel anders wanneer we kijken naar de ecosysteemdiensten, de diensten die de bosjes aan de samenleving bieden, zoals regulering van temperatuur en vochtigheid, opvangen en bufferen van overvloedige neerslag (vermindert de kans op overstroming en aardverschuivingen), filtering van (grond)water en de lucht, leefgebied voor nuttige insecten (voor bestuiving en tegen plaaginsecten), recreatie en nog veel meer. Dan presteren die mini-bosjes per oppervlakte-eenheid beter dan de grote bossen.

De reden dat mini-bosjes het zo goed doen komt waarschijnlijk doordat de boomkronen minder dekkend zijn en er meer licht op de bodem kan doordringen. Vergelijkbaar met de randen van grote bossen. In mini-bosjes zien we dan ook meer ondergroei dan in de grote bossen. Grote bossen zijn vaak ook als bosbouw ontstaan en bestaan vaak uit grote oppervlakten met dezelfde boomsoort. Dat maakt die bossen kwetsbaar. Dit geldt ook voor mini-bosjes. Het is daarom belangrijk dat bij het aanleggen en beheren van zulke bosjes meerdere boomsoorten door elkaar worden geplant. Plagen worden dan sneller gestopt.
In bepaalde biotopen kunnen graslanden nuttig zijn, de aarde is vooralsnog meer gebaat bij de aanleg van zoveel mogelijk bossen, hoe klein ook.

Landbouw
Hoewel de boeren nog aan het idee moeten wennen zijn mini-bosjes ook voor de landbouw goed nieuws. Zeker als er meer wordt overgeschakeld op agroforestry, natuurinclusieve of circulaire landbouw. De bosjes tussen de akkers en weilanden hebben ook daar een positief effect. De akkers zijn beter beschermd tegen weer-extremen, de bosjes huisvesten meer insecten die helpen bij bestuiving en de aanpak van plaaginsecten. En het vee in weilanden met kleine bosjes kan beter beschutting zoeken bij slecht weer. De bosjes stimuleren natuurlijk gedrag van de dieren.

Dit onderzoek pleit voor betere bescherming van mini-bosjes in zowel stedelijk gebied als in de buitengebieden. Mogelijk is er Europese regelgeving nodig om dit af te dwingen. In de Benelux zijn we echter al op de goede weg. Wij maken ruim baan voor mini-bosjes.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

donderdag 10 oktober 2019

Hoe leg je kinderen het belang van bomen uit?

Vertel kinderen op een simpele manier wat bomen voor ons doen en hoe ze dat doen.

Hallo, wij zijn twee paardenkastanjes en wij wonen hier al meer dan 100 jaar. 
Toen we nog klein waren bestond dat gebouw achter ons nog niet. Hier was toen een kloostertuin, van de nonnen.
Wij doen heel goed werk voor de mensen en dieren om ons heen. Dat doen we met onze blaadjes. Daar hebben we er heel veel van. Als je ze op de grond naast elkaar legt heb je drie voetbalvelden nodig. In die blaadjes zitten groene fabriekjes, die heel belangrijk werk doen. Ze doen aan fotosynthese. 
Onthoud die naam FOTOSYNTHESE. Dat is echt belangrijk voor al het leven op aarde.
Die groene fabriekjes maken van koolstofdioxide een soort suiker. Op de televisie hoor je vaak ook praten over C-O-2, dat is hetzelfde. Dat is een gas dat in onze ademlucht zit en het bestaat uit koolstof en zuurstof. 
De blaadjes halen de koolstof er uit om suiker van te maken. Ook onze stam en de takken zijn er van gemaakt. De suiker bewaren we vooral in onze wortels. De zuurstof blazen we weer uit. Dat is voor ons afval, maar wel heel belangrijk voor alle leven op aarde. Om de koolstof uit de lucht te halen hebben onze groene fabriekjes een paar dingen nodig: CO2, zonlicht en water.
Dat water halen onze wortels uit de grond. Met onze blaadjes zuigen we dat water omhoog. Een deel laten we verdampen en daardoor is het rondom ons een beetje koeler. Dat is fijn voor de mensen als het in de zomer zo heet is.
Met de rest van het water sturen we suiker naar beneden, naar de wortels.
Van de zuurstof gebruiken we zelf ook een beetje om te groeien. Zuurstof zit in de lucht en in water dat via onze wortels wordt opgenomen. Daarom is het belangrijk dat de grond rondom onze stam lekker luchtig is, zodat water en zuurstof bij onze wortels kunnen komen. Kleine beestjes en wormen zorgen voor kleine gaatjes waardoor water en lucht ook onder de grond kan komen.
Onze wortels halen ook andere stoffen uit de grond, die wij nodig hebben om te groeien. Dat doen de wortels met hulp van paddenstoelen en hun schimmeldraadjes. De schimmeldraadjes lossen stofjes uit de grond op, wat voor de wortels te moeilijk is. Ze doen dat trouwens niet voor niets. Schimmels krijgen daarvoor suiker uit de wortels. 
Die schimmeldraden zijn ook belangrijk om met andere bomen te praten. Zo kunnen wij ze waarschuwen als we ziek worden of als rupsjes aan onze blaadjes knabbelen. Wij maken dan afweerstofjes, die tegen die vijanden vechten en onze vrienden weten dat via de schimmels. Die gaan dan zelf ook zulke stofjes maken. Dan zijn ze beter beschermd als de vijand ook naar hun komt.
In de lucht zitten ook andere stoffen, die mensen ziek maken.  Die halen wij er uit met onze blaadjes. Wij bomen kunnen die stofjes onschadelijk maken, zodat mensen er minder last van hebben.
Veel mensen vinden het fijn om ons te zien staan, met onze dikke stam en groene blaadjes. Dat maakt de mensen blij. En blije mensen worden niet zo vaak ziek. Dat vindt iedereen wel fijn, dat wij dat doen.

Ach, wij blijven daar nogal koel onder. We staan hier gewoon, al honderd jaar.  Elk jaar maken we nieuwe blaadjes. In de herfst halen we de groene fabriekjes er uit en dan worden de blaadjes bruin. Die laten we dan vallen. Want in de winter is er te weinig zonlicht en is het vaak moeilijk om water omhoog te pompen. Het fijnste is als de herfstbladeren mogen blijven liggen en vergaan. Dan komen de stoffen van die blaadjes via onze wortels weer terug en maken wij er nieuwe blaadjes van. 
In de herfst laten we ook onze vruchten vallen, zodat daar nieuwe boompjes uit kunnen groeien. Die vruchten noemen we kastanjes. Maar onze kastanjes kun je niet eten, hoor. Onze collega’s de tamme kastanjes hebben wel eetbare vruchten. Eet smakelijk en geniet ervan.


maandag 16 september 2019

Is minder vlees en zuivel eten echt beter voor het klimaat?

We horen het al heel lang: om de aarde te redden moeten we minder vlees (vooral rundvlees) en zuivel eten. En ook in de politiek is "minder vee houden" geen taboe meer. Maar klopt dat wel? Daarover zijn de meningen natuurlijk verdeeld. Vooral de agrarische sector ziet dat fundamenteel anders. Natuurlijk!
Minder rood vlees consumeren zou ook beter zijn voor onze gezondheid. Veel welvaartsziekten zijn gelinkt aan het eten van vlees. Toch is dit een heikel punt, want vlees eten wordt ook als een voorrecht gezien en is status gevoelig. Vooral in de opkomende economieën. In veel westerse landen is die statusglas allang aan het slijten en vooral onder vrouwen is het minderen van vlees allang geen taboe meer. Minder vlees en meer groenten en fruit is beter voor je gezondheid. Daar twijfelt inmiddels niemand meer aan.
Foto: Pixabay

Minder vlees betekent ook minder koeien. Wat heeft dat dan voor effect op het klimaat en ons leefmilieu? Wetenschappers zetten het op een rijtje.

Wereldwijd zijn er zo'n 1,7 miljard koeien. Die zijn niet alleen en bron van vlees en zuivelproducten, maar ook van methaan. Methaan is een veel sterker broeikasgas dan koolstofdioxide. Die koeien zijn verantwoordelijk voor twee-derde van de klimaatimpact van de totale veestapel. Daarom is minder (rund)vlees eten, minder koeien goed voor het klimaat. Maar in Zuid-Oost Nederland zouden de mensen graag minder varkens zien. De boeren denken daar anders over. Wie heeft er nu gelijk?

De impact van vleesproductie is beperkt

Pleitbezorgers van intensieve veehouderij vinden dat je de aarde niet gaat redden door minder vlees te eten. In de industrielanden is de impact op het klimaat door landbouw en veehouderij beperkt. Amper meetbaar zelfs, wordt beweerd. Het echte probleem is het gebruik van fossiele brandstoffen. We moeten ons liet laten afleiden door de agrarische sector de zwarte piet te te schuiven. 
Terwijl onafhankelijke onderzoekers zeggen dat de agrarische sector voor zo'n 51% verantwoordelijk  is voor de uitstoot van broeikasgassen houdt de wereldlandbouworganisatie het op 14,5%. Niet overdrijven, dus! Maar regionaal zijn de verschillen groot en dat vertroebelt het beeld.
Bovendien wordt bij deze cijfers geen rekening gehouden met de uitstoot door energieverbruik in stallen en transport en de bereiding van veevoeder. Ook het transport van levend of geslacht vee wordt niet meegeteld. Net zo min als de ontbossing die plaatsvindt voor de verbouwing van gewassen die grotendeels voor veevoeder bestemd zijn. Wetenschappers hebben berekend dat het effect op het klimaat bij rundvlees 3 tot 10 keer hoger ligt dan bij andere vleessoorten. En wel 20 tot 100 keer hoger in vergelijking met plantaardige voeding.
Kortom, minder vlees eten helpt ook tegen ontbossing en tegen de opwarming van het klimaat.

Efficiënter produceren helpt beter

Al geruime tijd is de veestapel aan het afnemen en de melkproductie toegenomen. Onze koeien zijn steeds efficiëntere melkfabrieken geworden. Het is een kwestie van betere koeien en beter voer ontwikkelen. In de VS is landgebruik voor veehouderij de afgelopen 20 jaar met 140 miljoen hectare afgenomen, zoveel als Frankrijk en Duitsland samen.
De sector is ervan overtuigd dat de aarde niet met minder consumeren maar met efficiënter produceren gered kan worden. Volgens de Food & Agricuture Organization van de VN zouden we tot 30% minder uitstoot kunnen realiseren als iedereen diezelfde efficiency slag zou maken. Dat betekent dat zeker in de ontwikkelingslanden nog wel wat te winnen valt. Daar ligt de productie extreem laag, terwijl die koeien wel dezelfde hoeveelheid eten en methaan uitstoten.
Het idyllische landbouwgebruik van koeien in de wei is gek genoeg juist het meest belastend voor het klimaat. Koeien maken van onverteerbaar gras verteerbaar voedsel. Dat is een trucje dat alleen herkauwers beheersen. Dit leidt dan wel tot de uitstoot van methaan.
Andere voeding zou die methaan uitstoot verder omlaag kunnen brengen. Denk aan veevoer op basis van algen. Maar ook het (bij)voeren met soja. Alleen, pure onbewerkte soja is ongeschikt. Daar komt dus een bewerkingsproces en bijkomende logistiek bij kijken waarvoor energie nodig is.
Meer produceren met minder dieren kent echter ook zijn grenzen. Op een gegeven moment gaat het ten kosten van dierenwelzijn. Bovendien zou verhoogde efficiency meer consumptie kunnen stimuleren en daarmee is het effect weg.

Liefhebbers van zuivelproducten moeten zich ook realiseren, dat melk als basis voor een breed scala aan producten alleen mogelijk is door vleesproductie. Koeien gaan pas melk geven als ze een kalf hebben gekregen. En de melk die het dier nodig heeft om te groeien krijgt hij niet. Ongeveer de helft van de kalfjes is ongeschikt voor het verdienmodel van de melkveehouder. Die stiertjes worden snel vetgemest en geslacht. De koetjes worden 'met de fles' groot gebracht, want de melk van mama-koe is alleen voor de boer, niet voor het kalf. En als de koe op leeftijd is en minder melk produceert maken ze ook daar biefstukjes van.

Een ander punt van zorg is het landgebruik en de kwaliteit van de bodem. Als koeien alleen leven van lokaal geproduceerd veevoer en de mest op het land waar hun voedsel vandaan komt wordt gestrooid is er sprake van circulaire landbouw. Liefst zouden we onze eigen poep er ook nog naar toe moeten brengen om de cirkel echt rond te maken. Maar de praktijk is dat veel (aanvullend) veevoer wordt geproduceerd in landen ver van hier. Bijvoorbeeld soja in Brazilië, waar bossen plaats moeten maken voor sojaplantjes. En als de bodem is uitgeput, branden die boeren gewoon weer een nieuw stuk regenwoud plat. En onze boeren zitten met een mestoverschot, dat eigenlijk naar die uitgeputte landerijen in Brazilië terug zou moeten.

Door hier minder vlees en meer plantaardig voedsel te eten, verminderen we de problemen die met de veehouderij samenhangen.

Runderen zijn de oplossing, niet het probleem

Fans van de intensieve veehouderij vinden dat koeien in de wei juist goed zijn voor het klimaat. Goed, ze stoten veel methaan uit, maar daar staat tegenover dat ze plantengroei en bodemleven juist stimuleren. En dat is goed voor de opslag van koolstof.
Maar daaraan zijn grenzen. In de natuur draait alles om evenwicht. En als die in de weidebodem bereikt is stopt de opslag van koolstof. Dat is wat er gebeurt bij intensieve veehouderij, in tegenstelling tot extensieve veehouderij. Maar voor dat laatste is in de industrielanden geen plaats. Ondertussen gaan de koeien gewoon door met methaan boeren en mest schijten.

Runderen maken goed eten van onverteerbare gewassen

Herkauwers, dus ook runderen, kunnen het onverteerbare cellulose in bijvoorbeeld gras afbreken. Daarom kunnen zij planten eten die voor varkens en kippen niet verteerbaar zijn. Naast gras eten herkauwers, dus ook schapen en geiten, ook ander plantaardig materiaal. Vaak gaat het om oogstafval. Koeien krijgen daarnaast ook krachtvoer van sojaproducten en granen, maar dat is naar verhouding heel weinig. Amper 10%. Varkens en kippen zijn de grootste graanconsumenten en zijn daarmee voedselconcurrenten van mensen.
Koeien zijn wel handig als je grond hebt die voor niets anders geschikt is dan grasland. Dan kan van dat land toch iets eetbaars komen in de vorm van melk en vlees. Dit is echter onvoldoende om de mensheid te voeden. De veestapel zou dan inkrimpen en voor iedereen is er dan gemiddeld 21 gram dierlijk eiwit per dag beschikbaar. Vergelijk dat eens met de huidige consumptie van 50-60 gram.
Een derde van het grasland dat nu wereldwijd in gebruik is, is echter ook geschikt om andere gewassen op te telen. Veel 'minderwaardig' grasland wordt intensief bemest en is daardoor soortenarm. Er kan niets anders groeien dan gras of één bepaalde grassoort en is daarom ook niet interessant voor andere dieren dan koeien. De bodem is dood. Daar staan de extensief beheerde weiden tegenover, waar meer biodiversiteit te vinden is. Ook vinden we grasland op plekken die eigenlijk van nature alleen geschikt zijn voor bossen. En om de klimaatverandering af re remmen hebben we meer bossen nodig.

De berekeningen van klimaatimpact zijn niet eerlijk

Doorgaans berekenen wetenschappers de klimaatimpact van voedingsmiddelen per eenheid, dus per kilo, per calorie/Joules. Dat geldt dus ook voor eiwitten.
Niet eerlijk, vinden andere wetenschappers. Eiwitten heb je in soorten en ze bestaan allemaal uit aminozuren. Een paar van die aminozuren kan ons lichaam niet zelf maken, die moeten we dus via voeding binnenkrijgen. En dan zijn dierlijke eiwitten vaak van betere kwaliteit dan plantaardige eiwitten. Een gezonde voeding bevat dus vlees, al hoeft dat niet veel te zijn.
En soja? Dat heeft van alle plantaardige eiwit bronnen de hoogste kwaliteit, maar scoort nog steeds 90% lager dan rundvlees. Bovendien bevat plantaardige voeding minder verzadigd vet en de meeste vitaminen die we dagelijks nodig hebben.
Wie heeft er nu gelijk? Het lijkt erop dat we vooral gevarieerd moeten eten en dat in dat patroon ook een beetje vlees past. Of dat persé rundvlees moet zijn laat ik dan maar in het midden.

Het effect van methaan is tijdelijk

Methaan is een 28 keer sterker broeikasgas dan CO2. En dat koeien zowel aan de voor- als aan de achterkant veel methaan in de atmosfeer blazen zal niemand ontkennen. Maar methaan  breekt vrij snel af, in pakweg 10 jaar en wat over blijft is CO2. Dat gas blijft eeuwenlang in de atmosfeer. Het verdwijnt pas als groene planten het opnemen voor hun fotosynthese. Dan wordt het koolstof atoom in de plant opgeslagen als bouwstof of als grondstof voor suikers. De zuurstof atomen komen terug in de atmosfeer en spelen een rol bij de stofwisseling in dieren en planten.
En als dieren planten eten komt het als CO2 of als methaan weer terug in de atmosfeer. Als we vooral de hoeveelheid methaan willen verminderen zullen er hoe dan ook minder herkauwers moeten zijn, vooral minder runderen.

En dan is er nog een punt dat met intensieve veehouderij te maken heeft. Er leven teveel dieren van dezelfde soort op een te klein oppervlak, het zijn monoculturen. Dat maakt zo'n gemeenschap extra kwetsbaar voor ziekten. De natuur herstelt zichzelf het best bij een grote diversiteit van soorten en een zeker evenwicht. Dat is in de moderne landbouw en veehouderij ver te zoeken. Het is zelfs een hindernis voor de gehanteerde verdienmodel. Het kan echter gemakkelijk fout gaan en de agrarische sector besteedt heel veel geld om dat risico zo klein mogelijk te maken. Werk met de natuur en het kost veel minder.

De voor- en nadelen worden in beide kampen enigszins overdreven, maar feit is dat er geen natuurlijk evenwicht is. En daarvoor betalen zowel de boeren als de consumenten en het milieu een hoge prijs.
Door minder dierlijke producten te eten kunnen we het nog leefbaar houden. Die stelling houdt stand.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.