maandag 16 maart 2020

Moeder natuur herstelt het evenwicht

De natuur streeft altijd naar een evenwichtige biodiversiteit. Monoculturen staan daardoor steeds onder druk van dat streven. Wij mensen gooien er dan een dosis technologie tegenaan om natuurlijke correcties tegen te gaan. Maar er zijn grenzen. En als die overschreden worden slaat moeder natuur  toe. Dan kent zij geen genade, noch compassie. Zeker niet met de veroorzaker van het probleem, en dat is veel te vaak de mens.
Foto: Pixabay

De mens heeft zich veel te lang boven de natuur gesteld. Want mensen zijn het evenbeeld van God en daarom eigenen wij ons het recht toe de natuur naar eigen goeddunken te exploiteren, uit te buiten. Maar mensen zijn niet zo slim als God of moeder natuur en bovendien erg egoïstisch. De mens speelt slechts een bescheiden rol in het mondiale ecosysteem. Toch doen we alsof we erboven staan.
We bejagen dieren tot er geen meer over zijn. Vissen de oceanen leeg. Ontbossen hele continenten. Dat heeft een economisch voordeel wat  uitroeiing alleen maar versterkt. De bejaagde dieren (en vissen) worden steeds schaarser en daarmee stijgt hun prijs. En die hogere prijs wakkert de hebzucht aan en stimuleert om door te gaan tot er niets meer over is. Ja, wie de laatste olifant geschoten en de laatste tonijn gevangen heeft wacht een dikke bonus en eeuwige roem. In elk geval in kringen van de stropers.

En nu zucht de (mensen)wereld onder het SARS CoVid-19 virus. Na ebola, SARS1, Zika etc. de zoveelste aanval op de mensenmassa. Ja, de massa. In dun bevolkte gebieden merk je er niet zoveel van. Is dit dan ook zo'n poging van moeder natuur om het evenwicht te herstellen? Of hebben de mensen het aan zichzelf te danken?

De enige manier om de kans op zulke epidemieën te verkleinen is de vrije natuur meer ruimte te geven en die ruimte te respecteren.

Het is waarschijnlijk beiden het geval. Deze ziekten slaan vooral toe op plaatsen waar veel mensen dicht bij elkaar leven. Waar mensen een biologische monocultuur vormen. Maar er is ook iets anders aan de hand. Wetenschappers waarschuwen al langer dat de druk die wij uitoefenen op de natuur tot zulke epidemieën zal leiden. De ziekten die ons treffen overleven in de vrije natuur onder dieren (en soms ook planten) die daar geen of weinig last van hebben. Nu mensen de vrije natuur steeds meer verstoren komen we vaker in aanraking met die ziekten. Meestal heeft dat weinig effect en blijven we verschoond van besmetting. Het virus springt niet zomaar over op andere soorten, zoals mensen. Maar soms volgt er een mutatie die dat overspringen wel mogelijk maakt. En hoe vaker mensen hiermee contact hebben, hoe groter de kans dat er mensen ziek worden en het vervolgens overdragen op andere mensen. Het begin van een epidemie. Het mogelijke begin van een pandemie.
Een recent onderzoek van Amerikaanse wetenschappers onderschrijft deze stelling: De processen die ertoe leiden dat wilde dieren hun virussen op mensen kunnen overdragen, zijn dus gelijk aan de processen die ertoe leiden dat veel van deze soorten momenteel in de knel zitten. Het is allemaal te herleiden naar het feit dat mensen een steeds grotere inbreuk maken op het leefgebied van dieren.

Dat contact blijk vaak het gevolg te zijn van de consumptie van 'bush meat'. Dat is goedkoop en vaak in die culturen verweven. Zo blijken bepaalde vleermuissoorten de besmettingen te kunnen overdragen. (voor de duidelijkheid, Europese vleermuizen dragen zulke ziekten niet) De onhygiënische manier waarop deze dieren, in de open lucht op markten, geslacht en geconsumeerd worden vergroot de kans op besmetting. Dat was met de corona virussen zo en ook met ebola. Ongelofelijk dat recent op een markt in Indonesië nog vleermuizen en vleerhonden werden aangeboden. De plaatselijke overheid greep gelukkig snel in door deze dieren in beslag te nemen en de vernietigen. Maar hoeveel van deze dieren worden er onder de radar alsnog verkocht en geslacht? Het is dweilen met de kraan open.

Wetenschappers waarschuwen ervoor om zulke epidemieën en pandemieën te gebruiken om het belang van biodiversiteit aan te tonen. Natuurlijk hebben ze gelijk, dat de oorzaken van zulke uitbraken genuanceerder liggen. Maar het ligt in de aard van deze blog om toch (voorzichtig) in die richting te wijzen.

Even een steen in de vijver gooien. Is het een oplossing om massaal in grote steden te gaan wonen en ons af te sluiten van die bedreigende natuur?
Dat zou een normale menselijke reactie kunnen zijn. Maar we spannen daarmee het paard achter de wagen. Hiermee worden juist die ongewenste monoculturen van mensen vergroot en dat maakt mensen nog kwetsbaarder voor uitbraken van infectieziekten. Moeder natuur houdt niet van monoculturen. Zij streeft naar biodiversiteit. De soort die het evenwicht uit balans brengt is kandidaat voor corrigerende maatregelen, meestal een ziekte met dodelijke potentie.
De enige manier om de kans op zulke epidemieën te verkleinen is de vrije natuur meer ruimte te geven en die ruimte te respecteren. Dan gaat het ook beter met het klimaat. Maar zolang de wereldbevolking blijft toenemen is de kans klein dat de natuur wereldwijd weer op adem komt. Houd rekening met meer uitbraken zoals het huidige coronavirus.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

dinsdag 28 januari 2020

Krijgen we opnieuw een hete zomer?

De zomer van 2019 hoorde thuis in het rijtje van heetste zomers, ooit gemeten. Niet alleen de toenemende CO2 concentratie is hiervan de oorzaak, ook de windstromen zijn van invloed. Enkele dagen wind uit zuid tot oost zal de temperatuur flink doen stijgen. Zeker als de wereldwijde CO2 concentratie ook in de zuidelijke regionen voor extreem hoge temperaturen zorgt. De hoeveelheid koolstofdioxide moet omlaag om verder gaande opwarming af te remmen en de kans op extreem weer te verminderen. Alleen ziet het er niet naar uit dat dit al in 2020 gaat lukken. De grote bosbranden in Australië en Brazilië hebben ook voor ons nadelige gevolgen.

Onderzoekers verwachten dat we in mei 2020 met grote waarschijnlijkheid boven de 417ppm (deeltjes per miljoen) zullen uitkomen. Dat is erg hoog.
Op de grafiek hiernaast is goed weergegeven hoe de CO2 concentratie jaar op jaar toeneemt. Van een ombuiging is voorlopig nog geen sprake.

Alleen grootschalige vergroening kan voor een langdurige en duurzame ombuiging zorgen. Liefst door op grote schaal bomen aan te planten. En dit gebeurt al. Alleen niet (nog niet) in de gebieden waar door natuurbranden en ontbossing  dit het hardste nodig is. Extra aanplant van bomen vindt vooral plaats in de rijkere landen op het noordelijk halfrond. Hier stuiten we op echter op grenzen: er is niet voldoende ruimte om de benodigde bomen te planten en er is een tekort aan plantmateriaal. Bovendien is door verzuring (stikstofoxiden) op veel plaatsen de bodem ongeschikt: het bodemleven, schimmels en insecten, is op veel plaatsen met meer dan 75% achteruitgegaan.

CO2 reductie bij de bron is en blijft hoogste prioriteit.

Snel veel bomen planten is absoluut nodig. Zeker in de gebieden waar ze in korte tijd massaal verdwenen zijn. Dit vergt echter tijd. Er zal eerst voor voldoende plantmateriaal gezorgd moeten worden. Dat zal een paar jaar in beslag nemen. Dan werkt ook de droogte op die locaties tegen. Jongen bomen hebben (veel) water nodig om te overleven. En dan duurt het nog vele decennia voordat die bomen hetzelfde presteren als de bomen die nu verloren zijn gegaan. Wat doe je in de tussentijd, misschien wel 60 tot 80 jaar? En kun je over die periode de watervoorziening garanderen?
Dat kan best lastig zijn, want bossen kunnen de watertoevoer naar rivieren verminderen. Daar staat tegenover dat de verdamping door fotosynthese meer waterdamp in de atmosfeer brengt.
De universiteit van Cambridge heeft hier onderzoek naar gedaan.

Om snel, binnen één of enkele jaren, voldoende groen te kweken dat op grote schaal CO2 vastlegt kunt je toevlucht zoeken in snelgroeiende kruiden en grassen. Denk bijvoorbeeld aan gewassen als olifantengras en bamboe. De planten kunnen jaarlijks geoogst worden en leveren interessante biomassa op voor tal van duurzame toepassingen. Verbranden voor energieopwekking is echter de minst geschikte toepassing. Het CO2 komt dan binnen korte tijd weer in de atmosfeer en we willen de concentratie juist snel en effectief terugdringen.
Hier en daar een paar hectaren aanplanten heeft ook geen enkel effect. Dit moet echt op zeer grote schaal gebeuren.

Het zal duidelijk zijn, dat met alleen extra groen de wereld niet gered kan worden. Er zijn beperkingen in de vorm van tijd,  ruimtegebrek en droogte. We zullen het één moeten doen en het ander niet later. In andere woorden, CO2 reductie bij de bron is en blijft hoogste prioriteit. En technologie kan daar een handje bij helpen. En tegelijk op grote schaal de bossen herstellen.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

dinsdag 3 december 2019

Waarom mini-bosjes ook belangrijk zijn

Bij natuur- en klimaatbeleid gaat de aandacht vaak uit naar de grote bossen. Wereldwijd spelen de regenwouden in de tropische zones natuurlijk een cruciale rol, maar vlak de mini-bosjes in de gematigde regio's niet uit. Om het belang van zulke kleine bossen in kaart te brengen is op Europees niveau, in 16 regio's onderzoek gedaan. De conclusie uit deze studie is, dat de mini-bosjes, gerekend naar oppervlakte-eenheid het beter doen dan de grote bossen.
Foto: IVN. Een tiny forrest door kinderen aangelegd
en onderhouden.

In Europa zijn de bossen vaak versnipperd door woningbouw, industrie, infrastructuur en landbouw. Grote bossen worden steeds zeldzamer en dat voedt de zorg over de rol van bossen in het klimaatbeleid. Wat we wel steeds meer zien, zijn versnipperde mini-bosjes, zowel in stedelijk gebied als in op het 'platte land'. In Nederland en België worden deze kleine bosjes nog enigszins beschermd, maar in veel andere Europese landen is dat niet het geval. Daarmee rees de vraag of dit schadelijke gevolgen heeft voor het natuur- en klimaatbeleid.
We spreken van mini-bosjes als ze 1/2 Ha of minder tot pakweg 3 Ha grond in beslag nemen.

In Nederland worden de mini-bosjes juist sterk gestimuleerd door onder andere het IVN en de gemeenten, bijvoorbeeld door het aanleggen van tiny forests. In Weert stimuleert de gemeente ook particulieren met een grote tuin om een 'tuiny forest' aan te leggen.
Mini-bosjes vind je ook in parken, tussen wegen en langs het spoor. Maar ook tussen landbouwpercelen.

Deze kleine bosjes blijken per oppervlakte-eenheid meer koolstof in de bodem vast te leggen dan grote bosgebieden. Er zijn meer verschillende voedselbronnen voor wilde dieren. Ook niet onbelangrijk, in die kleine bosjes houden zich minder teken op, zodat recreanten in die bosjes minder risico lopen op een Lyme-infectie.

Ecosysteemdiensten
In verhouding tot de grote bossen herbergen de mini-bosjes minder planten- en diersoorten. Dus voor biodiversiteit is een klein bosje niet persé een voordeel. Het scheelt wel als zulke bosjes in de regio onderling verbonden zijn. Maar geïsoleerde bosjes vertonen een beperkte biodiversiteit.

Deze mini-bosjes blijken per oppervlakte-eenheid meer koolstof in de bodem
vast te leggen dan grote bosgebieden.

Dat is heel anders wanneer we kijken naar de ecosysteemdiensten, de diensten die de bosjes aan de samenleving bieden, zoals regulering van temperatuur en vochtigheid, opvangen en bufferen van overvloedige neerslag (vermindert de kans op overstroming en aardverschuivingen), filtering van (grond)water en de lucht, leefgebied voor nuttige insecten (voor bestuiving en tegen plaaginsecten), recreatie en nog veel meer. Dan presteren die mini-bosjes per oppervlakte-eenheid beter dan de grote bossen.

De reden dat mini-bosjes het zo goed doen komt waarschijnlijk doordat de boomkronen minder dekkend zijn en er meer licht op de bodem kan doordringen. Vergelijkbaar met de randen van grote bossen. In mini-bosjes zien we dan ook meer ondergroei dan in de grote bossen. Grote bossen zijn vaak ook als bosbouw ontstaan en bestaan vaak uit grote oppervlakten met dezelfde boomsoort. Dat maakt die bossen kwetsbaar. Dit geldt ook voor mini-bosjes. Het is daarom belangrijk dat bij het aanleggen en beheren van zulke bosjes meerdere boomsoorten door elkaar worden geplant. Plagen worden dan sneller gestopt.
In bepaalde biotopen kunnen graslanden nuttig zijn, de aarde is vooralsnog meer gebaat bij de aanleg van zoveel mogelijk bossen, hoe klein ook.

Landbouw
Hoewel de boeren nog aan het idee moeten wennen zijn mini-bosjes ook voor de landbouw goed nieuws. Zeker als er meer wordt overgeschakeld op agroforestry, natuurinclusieve of circulaire landbouw. De bosjes tussen de akkers en weilanden hebben ook daar een positief effect. De akkers zijn beter beschermd tegen weer-extremen, de bosjes huisvesten meer insecten die helpen bij bestuiving en de aanpak van plaaginsecten. En het vee in weilanden met kleine bosjes kan beter beschutting zoeken bij slecht weer. De bosjes stimuleren natuurlijk gedrag van de dieren.

Dit onderzoek pleit voor betere bescherming van mini-bosjes in zowel stedelijk gebied als in de buitengebieden. Mogelijk is er Europese regelgeving nodig om dit af te dwingen. In de Benelux zijn we echter al op de goede weg. Wij maken ruim baan voor mini-bosjes.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

donderdag 10 oktober 2019

Hoe leg je kinderen het belang van bomen uit?

Vertel kinderen op een simpele manier wat bomen voor ons doen en hoe ze dat doen.

Hallo, wij zijn twee paardenkastanjes en wij wonen hier al meer dan 100 jaar. 
Toen we nog klein waren bestond dat gebouw achter ons nog niet. Hier was toen een kloostertuin, van de nonnen.
Wij doen heel goed werk voor de mensen en dieren om ons heen. Dat doen we met onze blaadjes. Daar hebben we er heel veel van. Als je ze op de grond naast elkaar legt heb je drie voetbalvelden nodig. In die blaadjes zitten groene fabriekjes, die heel belangrijk werk doen. Ze doen aan fotosynthese. 
Onthoud die naam FOTOSYNTHESE. Dat is echt belangrijk voor al het leven op aarde.
Die groene fabriekjes maken van koolstofdioxide een soort suiker. Op de televisie hoor je vaak ook praten over C-O-2, dat is hetzelfde. Dat is een gas dat in onze ademlucht zit en het bestaat uit koolstof en zuurstof. 
De blaadjes halen de koolstof er uit om suiker van te maken. Ook onze stam en de takken zijn er van gemaakt. De suiker bewaren we vooral in onze wortels. De zuurstof blazen we weer uit. Dat is voor ons afval, maar wel heel belangrijk voor alle leven op aarde. Om de koolstof uit de lucht te halen hebben onze groene fabriekjes een paar dingen nodig: CO2, zonlicht en water.
Dat water halen onze wortels uit de grond. Met onze blaadjes zuigen we dat water omhoog. Een deel laten we verdampen en daardoor is het rondom ons een beetje koeler. Dat is fijn voor de mensen als het in de zomer zo heet is.
Met de rest van het water sturen we suiker naar beneden, naar de wortels.
Van de zuurstof gebruiken we zelf ook een beetje om te groeien. Zuurstof zit in de lucht en in water dat via onze wortels wordt opgenomen. Daarom is het belangrijk dat de grond rondom onze stam lekker luchtig is, zodat water en zuurstof bij onze wortels kunnen komen. Kleine beestjes en wormen zorgen voor kleine gaatjes waardoor water en lucht ook onder de grond kan komen.
Onze wortels halen ook andere stoffen uit de grond, die wij nodig hebben om te groeien. Dat doen de wortels met hulp van paddenstoelen en hun schimmeldraadjes. De schimmeldraadjes lossen stofjes uit de grond op, wat voor de wortels te moeilijk is. Ze doen dat trouwens niet voor niets. Schimmels krijgen daarvoor suiker uit de wortels. 
Die schimmeldraden zijn ook belangrijk om met andere bomen te praten. Zo kunnen wij ze waarschuwen als we ziek worden of als rupsjes aan onze blaadjes knabbelen. Wij maken dan afweerstofjes, die tegen die vijanden vechten en onze vrienden weten dat via de schimmels. Die gaan dan zelf ook zulke stofjes maken. Dan zijn ze beter beschermd als de vijand ook naar hun komt.
In de lucht zitten ook andere stoffen, die mensen ziek maken.  Die halen wij er uit met onze blaadjes. Wij bomen kunnen die stofjes onschadelijk maken, zodat mensen er minder last van hebben.
Veel mensen vinden het fijn om ons te zien staan, met onze dikke stam en groene blaadjes. Dat maakt de mensen blij. En blije mensen worden niet zo vaak ziek. Dat vindt iedereen wel fijn, dat wij dat doen.

Ach, wij blijven daar nogal koel onder. We staan hier gewoon, al honderd jaar.  Elk jaar maken we nieuwe blaadjes. In de herfst halen we de groene fabriekjes er uit en dan worden de blaadjes bruin. Die laten we dan vallen. Want in de winter is er te weinig zonlicht en is het vaak moeilijk om water omhoog te pompen. Het fijnste is als de herfstbladeren mogen blijven liggen en vergaan. Dan komen de stoffen van die blaadjes via onze wortels weer terug en maken wij er nieuwe blaadjes van. 
In de herfst laten we ook onze vruchten vallen, zodat daar nieuwe boompjes uit kunnen groeien. Die vruchten noemen we kastanjes. Maar onze kastanjes kun je niet eten, hoor. Onze collega’s de tamme kastanjes hebben wel eetbare vruchten. Eet smakelijk en geniet ervan.


maandag 16 september 2019

Is minder vlees en zuivel eten echt beter voor het klimaat?

We horen het al heel lang: om de aarde te redden moeten we minder vlees (vooral rundvlees) en zuivel eten. En ook in de politiek is "minder vee houden" geen taboe meer. Maar klopt dat wel? Daarover zijn de meningen natuurlijk verdeeld. Vooral de agrarische sector ziet dat fundamenteel anders. Natuurlijk!
Minder rood vlees consumeren zou ook beter zijn voor onze gezondheid. Veel welvaartsziekten zijn gelinkt aan het eten van vlees. Toch is dit een heikel punt, want vlees eten wordt ook als een voorrecht gezien en is status gevoelig. Vooral in de opkomende economieën. In veel westerse landen is die statusglas allang aan het slijten en vooral onder vrouwen is het minderen van vlees allang geen taboe meer. Minder vlees en meer groenten en fruit is beter voor je gezondheid. Daar twijfelt inmiddels niemand meer aan.
Foto: Pixabay

Minder vlees betekent ook minder koeien. Wat heeft dat dan voor effect op het klimaat en ons leefmilieu? Wetenschappers zetten het op een rijtje.

Wereldwijd zijn er zo'n 1,7 miljard koeien. Die zijn niet alleen en bron van vlees en zuivelproducten, maar ook van methaan. Methaan is een veel sterker broeikasgas dan koolstofdioxide. Die koeien zijn verantwoordelijk voor twee-derde van de klimaatimpact van de totale veestapel. Daarom is minder (rund)vlees eten, minder koeien goed voor het klimaat. Maar in Zuid-Oost Nederland zouden de mensen graag minder varkens zien. De boeren denken daar anders over. Wie heeft er nu gelijk?

De impact van vleesproductie is beperkt

Pleitbezorgers van intensieve veehouderij vinden dat je de aarde niet gaat redden door minder vlees te eten. In de industrielanden is de impact op het klimaat door landbouw en veehouderij beperkt. Amper meetbaar zelfs, wordt beweerd. Het echte probleem is het gebruik van fossiele brandstoffen. We moeten ons liet laten afleiden door de agrarische sector de zwarte piet te te schuiven. 
Terwijl onafhankelijke onderzoekers zeggen dat de agrarische sector voor zo'n 51% verantwoordelijk  is voor de uitstoot van broeikasgassen houdt de wereldlandbouworganisatie het op 14,5%. Niet overdrijven, dus! Maar regionaal zijn de verschillen groot en dat vertroebelt het beeld.
Bovendien wordt bij deze cijfers geen rekening gehouden met de uitstoot door energieverbruik in stallen en transport en de bereiding van veevoeder. Ook het transport van levend of geslacht vee wordt niet meegeteld. Net zo min als de ontbossing die plaatsvindt voor de verbouwing van gewassen die grotendeels voor veevoeder bestemd zijn. Wetenschappers hebben berekend dat het effect op het klimaat bij rundvlees 3 tot 10 keer hoger ligt dan bij andere vleessoorten. En wel 20 tot 100 keer hoger in vergelijking met plantaardige voeding.
Kortom, minder vlees eten helpt ook tegen ontbossing en tegen de opwarming van het klimaat.

Efficiënter produceren helpt beter

Al geruime tijd is de veestapel aan het afnemen en de melkproductie toegenomen. Onze koeien zijn steeds efficiëntere melkfabrieken geworden. Het is een kwestie van betere koeien en beter voer ontwikkelen. In de VS is landgebruik voor veehouderij de afgelopen 20 jaar met 140 miljoen hectare afgenomen, zoveel als Frankrijk en Duitsland samen.
De sector is ervan overtuigd dat de aarde niet met minder consumeren maar met efficiënter produceren gered kan worden. Volgens de Food & Agricuture Organization van de VN zouden we tot 30% minder uitstoot kunnen realiseren als iedereen diezelfde efficiency slag zou maken. Dat betekent dat zeker in de ontwikkelingslanden nog wel wat te winnen valt. Daar ligt de productie extreem laag, terwijl die koeien wel dezelfde hoeveelheid eten en methaan uitstoten.
Het idyllische landbouwgebruik van koeien in de wei is gek genoeg juist het meest belastend voor het klimaat. Koeien maken van onverteerbaar gras verteerbaar voedsel. Dat is een trucje dat alleen herkauwers beheersen. Dit leidt dan wel tot de uitstoot van methaan.
Andere voeding zou die methaan uitstoot verder omlaag kunnen brengen. Denk aan veevoer op basis van algen. Maar ook het (bij)voeren met soja. Alleen, pure onbewerkte soja is ongeschikt. Daar komt dus een bewerkingsproces en bijkomende logistiek bij kijken waarvoor energie nodig is.
Meer produceren met minder dieren kent echter ook zijn grenzen. Op een gegeven moment gaat het ten kosten van dierenwelzijn. Bovendien zou verhoogde efficiency meer consumptie kunnen stimuleren en daarmee is het effect weg.

Liefhebbers van zuivelproducten moeten zich ook realiseren, dat melk als basis voor een breed scala aan producten alleen mogelijk is door vleesproductie. Koeien gaan pas melk geven als ze een kalf hebben gekregen. En de melk die het dier nodig heeft om te groeien krijgt hij niet. Ongeveer de helft van de kalfjes is ongeschikt voor het verdienmodel van de melkveehouder. Die stiertjes worden snel vetgemest en geslacht. De koetjes worden 'met de fles' groot gebracht, want de melk van mama-koe is alleen voor de boer, niet voor het kalf. En als de koe op leeftijd is en minder melk produceert maken ze ook daar biefstukjes van.

Een ander punt van zorg is het landgebruik en de kwaliteit van de bodem. Als koeien alleen leven van lokaal geproduceerd veevoer en de mest op het land waar hun voedsel vandaan komt wordt gestrooid is er sprake van circulaire landbouw. Liefst zouden we onze eigen poep er ook nog naar toe moeten brengen om de cirkel echt rond te maken. Maar de praktijk is dat veel (aanvullend) veevoer wordt geproduceerd in landen ver van hier. Bijvoorbeeld soja in Brazilië, waar bossen plaats moeten maken voor sojaplantjes. En als de bodem is uitgeput, branden die boeren gewoon weer een nieuw stuk regenwoud plat. En onze boeren zitten met een mestoverschot, dat eigenlijk naar die uitgeputte landerijen in Brazilië terug zou moeten.

Door hier minder vlees en meer plantaardig voedsel te eten, verminderen we de problemen die met de veehouderij samenhangen.

Runderen zijn de oplossing, niet het probleem

Fans van de intensieve veehouderij vinden dat koeien in de wei juist goed zijn voor het klimaat. Goed, ze stoten veel methaan uit, maar daar staat tegenover dat ze plantengroei en bodemleven juist stimuleren. En dat is goed voor de opslag van koolstof.
Maar daaraan zijn grenzen. In de natuur draait alles om evenwicht. En als die in de weidebodem bereikt is stopt de opslag van koolstof. Dat is wat er gebeurt bij intensieve veehouderij, in tegenstelling tot extensieve veehouderij. Maar voor dat laatste is in de industrielanden geen plaats. Ondertussen gaan de koeien gewoon door met methaan boeren en mest schijten.

Runderen maken goed eten van onverteerbare gewassen

Herkauwers, dus ook runderen, kunnen het onverteerbare cellulose in bijvoorbeeld gras afbreken. Daarom kunnen zij planten eten die voor varkens en kippen niet verteerbaar zijn. Naast gras eten herkauwers, dus ook schapen en geiten, ook ander plantaardig materiaal. Vaak gaat het om oogstafval. Koeien krijgen daarnaast ook krachtvoer van sojaproducten en granen, maar dat is naar verhouding heel weinig. Amper 10%. Varkens en kippen zijn de grootste graanconsumenten en zijn daarmee voedselconcurrenten van mensen.
Koeien zijn wel handig als je grond hebt die voor niets anders geschikt is dan grasland. Dan kan van dat land toch iets eetbaars komen in de vorm van melk en vlees. Dit is echter onvoldoende om de mensheid te voeden. De veestapel zou dan inkrimpen en voor iedereen is er dan gemiddeld 21 gram dierlijk eiwit per dag beschikbaar. Vergelijk dat eens met de huidige consumptie van 50-60 gram.
Een derde van het grasland dat nu wereldwijd in gebruik is, is echter ook geschikt om andere gewassen op te telen. Veel 'minderwaardig' grasland wordt intensief bemest en is daardoor soortenarm. Er kan niets anders groeien dan gras of één bepaalde grassoort en is daarom ook niet interessant voor andere dieren dan koeien. De bodem is dood. Daar staan de extensief beheerde weiden tegenover, waar meer biodiversiteit te vinden is. Ook vinden we grasland op plekken die eigenlijk van nature alleen geschikt zijn voor bossen. En om de klimaatverandering af re remmen hebben we meer bossen nodig.

De berekeningen van klimaatimpact zijn niet eerlijk

Doorgaans berekenen wetenschappers de klimaatimpact van voedingsmiddelen per eenheid, dus per kilo, per calorie/Joules. Dat geldt dus ook voor eiwitten.
Niet eerlijk, vinden andere wetenschappers. Eiwitten heb je in soorten en ze bestaan allemaal uit aminozuren. Een paar van die aminozuren kan ons lichaam niet zelf maken, die moeten we dus via voeding binnenkrijgen. En dan zijn dierlijke eiwitten vaak van betere kwaliteit dan plantaardige eiwitten. Een gezonde voeding bevat dus vlees, al hoeft dat niet veel te zijn.
En soja? Dat heeft van alle plantaardige eiwit bronnen de hoogste kwaliteit, maar scoort nog steeds 90% lager dan rundvlees. Bovendien bevat plantaardige voeding minder verzadigd vet en de meeste vitaminen die we dagelijks nodig hebben.
Wie heeft er nu gelijk? Het lijkt erop dat we vooral gevarieerd moeten eten en dat in dat patroon ook een beetje vlees past. Of dat persé rundvlees moet zijn laat ik dan maar in het midden.

Het effect van methaan is tijdelijk

Methaan is een 28 keer sterker broeikasgas dan CO2. En dat koeien zowel aan de voor- als aan de achterkant veel methaan in de atmosfeer blazen zal niemand ontkennen. Maar methaan  breekt vrij snel af, in pakweg 10 jaar en wat over blijft is CO2. Dat gas blijft eeuwenlang in de atmosfeer. Het verdwijnt pas als groene planten het opnemen voor hun fotosynthese. Dan wordt het koolstof atoom in de plant opgeslagen als bouwstof of als grondstof voor suikers. De zuurstof atomen komen terug in de atmosfeer en spelen een rol bij de stofwisseling in dieren en planten.
En als dieren planten eten komt het als CO2 of als methaan weer terug in de atmosfeer. Als we vooral de hoeveelheid methaan willen verminderen zullen er hoe dan ook minder herkauwers moeten zijn, vooral minder runderen.

En dan is er nog een punt dat met intensieve veehouderij te maken heeft. Er leven teveel dieren van dezelfde soort op een te klein oppervlak, het zijn monoculturen. Dat maakt zo'n gemeenschap extra kwetsbaar voor ziekten. De natuur herstelt zichzelf het best bij een grote diversiteit van soorten en een zeker evenwicht. Dat is in de moderne landbouw en veehouderij ver te zoeken. Het is zelfs een hindernis voor de gehanteerde verdienmodel. Het kan echter gemakkelijk fout gaan en de agrarische sector besteedt heel veel geld om dat risico zo klein mogelijk te maken. Werk met de natuur en het kost veel minder.

De voor- en nadelen worden in beide kampen enigszins overdreven, maar feit is dat er geen natuurlijk evenwicht is. En daarvoor betalen zowel de boeren als de consumenten en het milieu een hoge prijs.
Door minder dierlijke producten te eten kunnen we het nog leefbaar houden. Die stelling houdt stand.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

vrijdag 30 augustus 2019

Stikstof blijkt schadelijk gas

De alarmbellen gingen af toen Duitse onderzoekers constateerden dat de biomassa aan vliegende insecten met driekwart was afgenomen en bij nader onderzoek bleek dat dit op meer plaatsen het geval was. Al eerder trokken onderzoekers aan de bel omdat de vaderlandse flora er slecht op staat en met name voor het afsterven van eiken in het buitengebied. Stadse eiken waren nog niet onderzocht. Zou het één met het ander te maken kunnen hebben?
Opnieuw luiden wetenschappers de alarmbel. Dit keer omdat uit internationaal onderzoek blijkt dat 80% van de bodemschimmels uit de natuur verdwenen is. In de  natuur hangt alles met alles samen. Laat nu de flora sterk afhankelijk zijn van een gezonde schimmelcultuur in de bodem, met name de zogenaamde mycorrhiza. En veel insecten zijn weer afhankelijk van een gezonde flora. En veel gewervelde dieren zijn weer afhankelijk van insecten. Het grijpt allemaal in elkaar.
Foto: Pixabay

In Vlaanderen en Zuidelijk Nederland is het stikstofdioxide (NO2)gehalte extreem hoog. Dat is met name te zien op de opname van de TROPOMI satelliet (2018) die hieronder staat afgedrukt.
Schimmels helpen de planten/bomen om stikstof en fosfaten uit de bodem op te nemen. Maar een teveel aan stikstof(dioxine) verzuurt de bodem en is schadelijk voor de schimmels, zo blijkt.

De bodem verzuurt
De overdaad aan stikstofdioxide komt met fijnstof in de bodem terecht. Hierdoor verzuurt de bodem en dat is funest voor de schimmels. Dit heeft schadelijke gevolgen voor veel plantensoorten en de biodiversiteit. Met name grasland en de bossen lijden onder de achteruitgang van bodemschimmels. Stikstofdioxide blijkt dus een schadelijk gas.
Concentraties stikstofdioxide in Europa - TROPOMI 2018

Het is dan ook terecht dat de rechter hier heeft ingegrepen.

Biologen in acht landen hebben tien jaar lang onderzoek gedaan naar het effect van stikstofoxides op schimmels. Ze hebben onder andere DNA monsters uit de bodem genomen om de aanwezigheid van schimmels te kunnen afleiden.  Onderzoekers van de Universiteit Leuven ontdekten zo dat nog slechts 20-30% van de oorspronkelijke schimmels in de bodem aanwezig zijn. Dit was direct te wijten aan de hoge stikstofgehaltes in de lucht en in de bodem. De Vlaamse Milieumaatschappij onderschrijft dit. Zij berekenden dat op de Vlaamse bodem jaarlijks gemiddeld 23,4 kilogram stikstofoxiden (NOx) per hectare neer dwarrelt. In de Zuid Nederlandse provincies zal dat niet erg verschillen. Kijk maar naar die grote donkere vlek op de TROPOMI opname hierboven. Britse onderzoekers hadden al vastgesteld dat slechts 6 kilogram per jaar per hectare schadelijk is voor bodemschimmels. Daar zitten we hier dus ver boven.

Let wel. Het gaat hier om gemiddelden. Uit metingen blijkt dat bij industriegebieden, veehouderijen en langs de doorgaande wegen de concentratie kan oplopen tot 60 kilogram per hectare.


Fruitbomen
Conclusie van de wetenschappers is duidelijk: het stikstofgehalte moet omlaag. Liefst naar 5 kilo of minder. Dat zou kunnen door bij natuurgebieden alleen fruitteelt toe te staan. Die sector produceert vrijwel geen stikstofdioxide en kan zo een buffer vormen tegen vervuilende bronnen.

Sommige terreinbeheerders hebben in het verleden al de vergiftigde grond afgegraven om zo nieuwe natuur een kans te geven. Effectief is dit zeker niet. Het duurt 10-20 jaar voordat de natuur zich herstelt en in die tijd is de bodem opnieuw vergiftigd met een veel te hoge concentratie stikstofoxiden.  Andere terreinbeheerders kiezen ervoor om extra calcium in de vorm van steenmeel aan de bodem toe te voegen. Behalve dat moeilijk te verdelen valt en erg kostbaar is (ze gebruiken helikopters), zal ook dit slechts tijdelijk effect hebben.
De enige remedie is om de bron aan te pakken. 
Er moet simpelweg minder stikstofdioxide geproduceerd worden. Dat betekent helaas dat er strenge beperkingen opgelegd moeten worden aan de agrarische sector, industrie en transport. Willen we onze leefomgeving gezond houden dan zal het in die sectoren pijn gaan doen. Hoewel, er zijn methoden in ontwikkeling om zaken anders te doen, zonder het milieu te belasten en toch rendabel te ondernemen. Dat vergt 'omdenken' en extra investeringen. ...en misschien toch minder (rund)vee.
Zie ook dit artikel op Nature Today. (vragen/antwoorden over de stikstof problematiek)

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.

woensdag 14 augustus 2019

Hoe herbebossen toch fout kan gaan

Bij de BBC vond ik een filmpje dat duidelijk maakt hoe belangrijk het planten van nieuwe bossen is, maar ook wat er dan mis kan gaan. Onderliggende boodschap is, laat de oude bossen, en dan vooral de oude tropische regenwouden in takt.  Hieronder een globale weergave van dat filmpje.

Het zal je waarschijnlijk niet verbazen om hier te lezen dat bossen wereldwijd afnemen en dat het milieu daar flink onder te lijden heeft. Het is ook een van de drijvende krachten van de klimaatverandering. Wat is er eigenlijk aan de hand?

Wetenschappers zijn verdeeld over de vraag of bossen wereldwijd ook echt aan het afnemen zijn. Ja, er gaat bos verloren, maar er worden ook veel nieuwe bossen aangeplant. Er is wel overeenstemming dat er lokaal grote verschillen zijn, zoals onderstaand plaatje laat zien.
Bron: BBC - Nature 2018
De groene stippen laten zien waar er een toename van bossen is. De rode stippen tonen de afname van bossen in de periode van 1982 tot 2016.

Je ziet vooral grote verliezen in de tropische regio's: de Amazone, Centraal Afrika en Zuid-Oost Azië. Hier wordt gekapt voor de houthandel en om landbouw grond vrij te maken. Ook natuurbranden spelen een grote rol, maar dan vooral in de gematigde zones.
Gebieden met overwegend groene stippen zijn Europa, de VS en China. De toename van bossen is hier vooral mensenwerk, de aanplant van nieuwe bossen. Dat lijkt een goede ontwikkeling, maar herbebossen is niet zo eenvoudig als het lijkt en is daarom ook niet altijd de beste oplossing om de gevolgen van ontbossing te compenseren.

In sommige gevallen doet herbebossen
meer kwaad dan goed.

Dat heeft te maken van de grote verscheidenheid in biodiversiteit in de diverse regio's. Een regenwoud in Indonesië bijvoorbeeld, verschilt nogal van de wouden in Noord-Europa (ook wel Taiga genoemd). Dat zit 'm vooral in de biodiversiteit en de boomdichtheid, alsmede de capaciteit om koolstof vast te leggen. Tropische bossen slaan veel meer koolstof op dan bossen in andere regio's.

Tropische regenwouden bevatten ook de meest uitgebreide biodiversiteit en juist daar vinden we ook de meeste bedreigde planten- en diersoorten. En juist in deze regio's is de ontbossing het hevigst. En het neemt eerder toe, dan af.

De schade door het kappen van natuurlijke bossen kan niet eenvoudig gecompenseerd worden door elders nieuwe bossen aan te planten. Toch juichten we elke vorm van herbebossen toe als een oplossing om klimaatverandering tegen te gaan. Maar tegelijk wordt dit als alibi gebruikt om in de tropen door te gaan met ontbossing.

In sommige gevallen doet herbebossen meer kwaad dan goed. Denk bijvoorbeeld aan het beplanten van gebieden waar eerder nooit bossen zijn geweest, zoals graslanden (toendra's en savanna's of woestijnen). Dit leidt niet alleen tot weinig levensvatbare bossen, maar vormt ook een bedreiging van de lokale ecosystemen.
Ook het planten van verkeerde boomsoorten kan onverwachte gevolgen hebben. Dat hebben ze bijvoorbeeld in China gemerkt. Sinds 1970 is men daar bezig met het planten van miljarden bomen om woestijnvorming in het noorden een halt toe te roepen. In het begin van dit project werden bomen geplant die niet geschikt waren voor de bodem en het klimaat. Dit leidde tot nog meer watertekort en de bomen stierven spoedig door droogtestress.

Volgens de deskundigen biedt herbebossen de grootste kans op succes als men rekening houdt met het lokale milieu, zodat bomen er kunnen gedijen en oud worden. In het algemeen is de aanplant van nieuwe bossen goed voor de planeet, mist rekening wordt gehouden met het feit dat ecosystemen heel complex zijn. En dat je verlies van tropische ecosystemen niet in Siberië kunt compenseren. Je moet je verdiepen in hoe bossen groeien en wat ze daarvoor nodig hebben.

Eenvoudig nieuwe bossen aanplanten om het verlies aan biodiversiteit te compenseren is dus niet de beste manier om de planeet te redden. En wat verloren gaat komt nooit meer terug.

Deze blog is een voortzetting van het boek Duurzaam groen en welzijn
Blijf op de hoogte en abonneer je op updates door rechtsboven je e-mailadres in te vullen.
Deel dit bericht met je netwerk via onderstaande buttons.